Televisienieuws niet geschikt voor kinderen onder de zes

Redactie | 19 april 2004, 0:00

Kinderen volgen meer nieuws dan veel opvoeders denken - ongeveer 65 procent van de 7 tot 12-jarigen kijkt bijna dagelijks of zelfs elke dag naar het nieuws - terwijl het meeste nieuws voor een volwassen publiek wordt gemaakt. UvA-communicatiewetenschapper dr. Juliette Walma van der Molen (1967) onderzocht welke gevolgen dit heeft voor kinderen.

Volgens Walma van der Molen is het maatschappelijk debat over geweld op televisie, en de gevolgen daarvan voor kinderen, te eenzijdig. ‘Het gaat vrijwel geheel over geweld in fictie, zoals in televisieseries, (teken)films en computerspelletjes. De effecten van geweld in het nieuws worden nauwelijks in die discussie betrokken. Ook het meeste onderzoek naar de invloed van mediageweld op kinderen spitst zich toe op geweld in entertainment. De huidige nieuwsverslaggeving bevat kenmerken waarvan in mediapsychologische onderzoeken gebleken is dat zij de negatieve effecten van mediageweld versterken. Zo wordt veel nieuws uiterst realistisch in beeld gebracht, met steeds vaker sensationele beelden van echt geweld of de ernstige gevolgen daarvan. Soms is er zelfs sprake van verheerlijking van wapens, zoals recent in de Irak-oorlog met alle live beelden van gevechtshandelingen. Daarnaast kiest men regelmatig voor een human-interest invalshoek, waardoor kijkers zich net als bij een film kunnen inleven in het leed van slachtoffers. En bovendien geeft het nieuws, net als fictie, een vertekend beeld van de hoeveelheid misdaad en geweld in de samenleving, wat bij kinderen én volwassenen aantoonbaar leidt tot een grotere inschatting van de kans om zelf slachtoffer te worden. Hoewel ik niet vind dat kinderen helemaal weggehouden zouden moeten worden van nieuws, vind ik wel dat je om deze redenen nieuws in het debat over mediageweld zou moeten betrekken’.

Voor het onderzoek naar de emotionele gevolgen van geweld in het nieuws voor kinderen maakt Walma van der Molen gebruik van klinisch psychologische en emotietheorieën over de ontwikkeling van angsten en zorgen bij kinderen en de factoren die bijdragen aan het ontstaan van emoties. ‘Jonge kinderen tot een jaar of zes kunnen nog moeilijk onderscheid maken tussen fictie en realiteit. Zij zijn nog vaak bang voor dingen als heksen, spoken en monsters. Vanaf een jaar of zeven maken ze echter onderscheid tussen fictie en realiteit en zie je dat ze bang worden voor echte gevaren, zoals branden, ongelukken en doodgaan. De angsten die zij in het werkelijke leven hebben zie je terug in de ontwikkeling van angsten voor media-inhoud. Ook blijkt dat de meerderheid van de oudere kinderen geweld in het nieuws enger en zorgelijker vindt dan hetzelfde realistische geweld in films of series, juist vanwege de werkelijkheidswaarde die zij toekennen aan het nieuws.
‘De meeste kinderen ervaren af en toe dit soort emoties bij het nieuws en zij lijden er niet erg onder. Echter, een groep van ongeveer 15 procent zegt zich vaak tot heel vaak angstig te voelen en deze angsten ook als ernstig te ervaren. Er wordt wel een duidelijk onderscheid gevonden tussen de affectieve kant van angst, zoals directe schrikreacties, en een cognitieve component, zoals zorgen over de eigen veiligheid. Kinderen uit groep 4 en 5 van de basisschool ervaren naar aanleiding van nieuws vaker directe angstreacties dan oudere kinderen, terwijl de emotionele reacties van oudere kinderen voornamelijk bestaan uit piekeren en zor-gen. Ook in de geruststellingstrategieën die kinderen toepassen zie je een ontwikkeling van meer gedragsmatige strategieën, zoals de handen voor de ogen doen of zappen naar een ander programma, naar cognitieve strategieën, zoals denken dat het jou toch niet zal overkomen en er met iemand over praten. In overeenstemming met cognitive appraisal-theorieën blijkt ook dat de emotionele reacties sterker zijn naarmate kinderen het nieuws als meer persoonlijk relevant ervaren. Factoren als de locatie van het nieuwsgeweld en de manier waarop kinderen zich kunnen identificeren met slachtoffers spelen hierbij een rol.’
Voor het onderzoek maakt Walma van der Molen vooral gebruik van vragenlijsten die kinderen zelf invullen en van interviews. De vragenlijsten zijn speciaal ontworpen voor kinderen. Ondanks de jonge leeftijd van de kinderen levert deze manier van onderzoek doen goede resultaten op. Experimenten waarin factoren als locatie en gedetailleerdheid van de verslaggeving worden gevarieerd, heeft zij tot nu toe alleen gedaan bij kinderen vanaf tien jaar en met behulp van geschreven nieuwsstukken. ‘Je kunt kinderen nu eenmaal geen heel heftig beeldmateriaal laten zien’.
Het onderzoek vindt plaats op basisscholen, in aparte ruimtes waar de kinderen rustig getest kunnen worden. ‘Op deze manier proberen we te voorkomen dat allerlei emoties worden opgeroepen door een onna-tuurlijke onderzoekssituatie’.

Tijdens de eerste twee weken van de oorlog in Irak onderzocht Walma van der Molen bijna 450 kinderen uit groep 7 en 8 van acht 'witte', gemengde en 'zwarte' basisscholen in het stadsdeel Zeeburg in Amsterdam. Het onderzoek richtte zich op de emoties angst, zorg en woede. Ook werd gekeken naar twee waarneembare gevolgen van deze emoties, namelijk lichamelijke reacties (zweten en hartkloppingen) en slaapstoornissen (niet kunnen slapen, nachtmerries). Alle kinderen volgden het nieuws over de oorlog, meer dan 90 procent zelfs meerdere keren per week tot elke dag. Ruim 95 procent van de kinderen volgde het nieuws vooral via televisie. Tweederde van hen keek voornamelijk naar het jeugdjournaal, maar bijna allemaal volgden ze daarnaast het nieuws voor volwassenen.

‘Het is ongelofelijk hoeveel nieuws kinderen hebben gekeken. Bij de Irak-oorlog zagen we dat de emoties bij kinderen heftiger waren en vaker voorkwamen dan je bij ander dagelijks nieuws ziet. Zeer betrokken kin-deren gaven aan niet te kunnen stoppen met kijken, zelfs als zij nare gevoelen kregen door al dat nieuws. Opvallend is dat kinderen tijdens de oorlog in Irak zowel veel boosheid over het leed van slachtoffers als veel angsten rapporteerden. Op een schaal van nooit tot heel vaak kwamen deze reacties gemiddeld vaak voor. De verschillen in emoties tussen kinderen werden vooral verklaard door de mate waarin kinderen zich inleefden in de slachtoffers. Kinderen van Marokkaanse ouders identificeerden zich sterk met Irakese slachtoffers, maar er waren ook veel autochtone kinderen die zich met de slachtoffers identificeerden. Iden-tificatie en empathie bleken de belangrijkste verklarende factoren voor emotionele reacties, wanneer gecontroleerd werd voor culturele achtergrond en sekse van de kinderen. De sterke identificatie van de kinderen is opmerkelijk, want de kinderen hadden eigenlijk geen enkele reële binding met het conflict. Behalve een paar kinderen van Irakese ouders had niemand fysieke of familiebanden met mensen in het conflictgebied.’

Uit de studies van Walma van der Molen blijkt dat kinderen uitstekend over hun meningen en gevoelens kunnen praten en dat kinderen ook behoefte hebben aan het uitwisselen van emoties. ‘Ik vind het van groot belang dat leerkrachten (en ook ouders) samen met kinderen naar het nieuws kijken. Kinderen kunnen naar aanleiding daarvan hun mening geven, en belangrijker, ze kunnen hun verhaal kwijt en emoties ontladen. Ik vind dat er meer aandacht moet komen voor mediaopvoeding. Hoe ga je als mens om met alles wat de media aanbieden, zoals geweld, nieuws, reclame en informatie? Je moet kinderen laten weten hoe nieuws gemaakt wordt en dat het uiteindelijk ook maar een constructie van de werkelijkheid is, die gemanipuleerd kan worden’.

Dr. Juliette Walma van der Molen studeerde ontwikkelingspsychologie aan de UvA. Ze promoveerde aan de Universiteit van Leiden op een onderzoek naar wat kinderen via verschillende media kunnen leren van het nieuws. Sinds eind 1999 werkt ze bij de Afdeling Communicatiewetenschap aan de UvA en onderzoekt de emotionele reacties van kinderen op televisienieuws.

Over de auteur

Reacties op dit artikel (0)

Comment author avatar